Aan boord, of tussen wal en schip?

Waarom het goed is om te investeren in jongeren die om uiteenlopende redenen nog geen startkwalificatie hebben weten te behalen.
Door dr. Monique Turkenburg, Sociaal en Cultureel Planbureau.

De afgelopen tien jaar is het aantal jongeren dat zonder startkwalificatie uit het onderwijs vertrekt sterk afgenomen. Toch vertrekt nog altijd elk jaar een groot aantal jongeren voortijdig uit het onderwijs; bijna 25.000 in schooljaar 2014/’15. Dat is niet alleen nadelig voor de kansen van de betrokken jongeren, maar heeft ook bredere maatschappelijke gevolgen. Over die gevolgen gaat deze blog. 

De groep jongeren zonder startkwalificatie valt grofweg in twee groepen uiteen: degenen die vooral vanwege beperkingen niet in staat zijn om de startkwalificatie te behalen en degenen die door voortijdige schooluitval  geen startkwalificatie behalen. De eerstgenoemde groep volgt met het oog op participatie doorgaans een opleiding in het voortgezet speciaal onderwijs of het praktijkonderwijs. Als ze niet verder doorstromen in het onderwijs vallen ze sinds 1 januari 2015 onder de Participatiewet. De focus ligt in deze blog op jongeren die door voortijdige schooluitval geen startkwalificatie hebben behaald.

Opleiding is een belangrijke hulpbron

In veel van ons onderzoek zien we een contrast in positie en opvattingen tussen hoger en lager opgeleiden. Hoogopgeleiden hebben vaak een hoger uurloon en inkomen, zijn minder vaak afhankelijk van een uitkering, hun werk kenmerkt zich door betere arbeidsomstandigheden en meer doorgroeimogelijkheden en hoogopgeleiden hebben minder langdurig last gehad van de economische crisis dan lager opgeleiden. Weliswaar nemen tijdelijke en flexibele contracten bij alle opleidingsniveaus toe, maar toch sterker bij de lagere opleidingsniveaus. Hoogopgeleiden beschikken over een groter en gevarieerder netwerk dan laagopgeleiden.  Bovendien zijn er grote verschillen in gezondheid tussen hoger en lager opgeleiden. 

Qua percepties en opinies zijn er eveneens verschillen. Hoogopgeleiden zijn optimistischer over de welvaart van Nederland en verwachten ook vaker dat deze de komende tijd stabiel blijft. Het verschil in institutioneel vertrouwen tussen hoger en lager opgeleiden is ook groot. Zo hebben hoogopgeleiden veel meer vertrouwen in de rechtspraak, hebben ze meer vertrouwen in de politiek en het democratisch functioneren van Nederland en zijn ze positiever over culturele diversiteit.

We zien kortom een sterke samenhang tussen opleidingsniveau, maatschappelijke positie en sociaal-culturele verschillen.

Geen startkwalificatie is ongunstig

De arbeidsmarktpositie van degenen die (vooralsnog) geen startkwalificatie hebben weten te behalen steekt binnen de categorie laagopgeleiden extra ongunstig af. In totaal zijn er 184.000 jongeren zonder startkwalificatie (daarbij dus niet inbegrepen de jongeren met voortgezet speciaal onderwijs of praktijkonderwijs als hoogst behaalde opleiding), daarvan heeft 40% geen werk. De werkloosheid onder jongeren met startkwalificatie bedroeg in 2014 9,9% en onder jongeren zonder startkwalificatie 19,1%. Vrouwen zonder startkwalificatie waren in 2014 vaker werkloos (24,1%) dan mannen zonder startkwalificatie (16,2%).

Iets meer dan de helft van de niet-werkenden zonder startkwalificatie heeft een uitkering;  47% heeft geen uitkering, dat zijn 35.000 jongeren. Het is belangrijk op te merken dat het  aandeel voortijdig schoolverlaters de laatste jaren weliswaar fors is gedaald, maar dat nog steeds een aanzienlijke groep jongeren vooralsnog  tussen wal en schip is beland.

Waar komen ze vandaan?

Als we kijken waar die jongeren in het onderwijs zaten voorafgaand aan de uitval, zien we het volgende. De meeste uitvallers zien we in het mbo en dat heeft uiteraard ook met leeftijd te maken: we zien erg weinig echt jonge uitvallers. In het voortgezet onderwijs ligt het percentage voortijdig schoolverlaters op 0,5%, waarbij de uitval in het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo, met doorgaans iets oudere leerlingen) op vmbo –niveau het hoogst is met ruim 16%, en de uitval in het reguliere havo 3 en vwo 3 0,1% bedraagt. In het mbo lopen de percentages nog sterker uiteen;  op niveau 3 in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl ) valt 2,8% van de leerlingen voortijdig uit en op niveau 1 valt zo’n 30% van de leerlingen uit.

Jongeren vallen om uiteenlopende redenen uit. Vaak is het een combinatie van factoren: verkeerde keuzes, weinig motivatie, spijbelgedrag. Maar ook gezondheidsproblemen,  gedragsproblemen en een problematische thuissituatie spelen een rol.

Alternatief voor leren op school in de BBL

Niet alle jongeren voelen zich thuis op school of in het onderwijs. Voor de leerlingen die meer praktisch zijn ingesteld en het schoolse leren liever vervangen door een combinatie van werk en leren zijn de mogelijkheden de laatste jaren echter afgenomen. De omvang van de BBL-leerweg in het mbo daalt al jaren. Lang niet alle jongeren hebben deze route goed op hun netvlies, maar daarnaast er zijn ook steeds minder leerwerkplekken beschikbaar. Volgens de SER biedt juist de BBL-route goede kansen op de arbeidsmarkt. Bovendien vinden veel leerlingen het leren in de praktijk motiverender waardoor de kans op het behalen van een diploma of startkwalificatie toeneemt.

Jongeren zonder startkwalificatie meer in de criminaliteit

Er zijn ook andere zorgen. Relatief veel voortijdig schoolverlaters zijn een of meer keer verdacht van criminele activiteiten. 18% van deze jongeren komt in aanraking met de politie, terwijl dit van degenen die niet voortijdig uitvielen 2,7% is. Jongeren zonder startkwalificatie komen dus zes maal zo vaak voor in de politieregistraties. Het percentage recidive overstijgt daarbij het percentage dat slechts één keer als verdachte werd geregistreerd.

Kortom: er zijn individuele en maatschappelijke kosten van niet-participeren

Voortijdig schoolverlaten en het daarmee niet behalen van een startkwalificatie heeft consequenties voor de kansen van jongeren in de samenleving én er zijn maatschappelijke kosten: deze jongeren zijn vaker werkloos, uitkeringsafhankelijk en belanden soms ook in de criminaliteit.

Een grote zorg is dat uitval uit het onderwijs ook tot minder maatschappelijke participatie en betrokkenheid leidt. De startkwalificatie is weliswaar geen absolute grens voor succes: maar het is duidelijk dat een zeker startniveau en bijbehorend diploma jongeren een beter perspectief biedt dan zonder deze toerusting. Opleidingstekorten voorkomen is bovendien beter dan ze achteraf proberen te herstellen: de kosten zijn hoger en de te nemen drempel voor de betrokkene doorgaans eveneens.

Urgentie van een goede toerusting wordt alleen maar groter

In het rapport De toekomst tegemoet (2016) schetst het SCP een aantal trends in de samenleving en trekt die lijnen door naar de toekomst. We noemen hier kort de belangrijkste ontwikkelingen, en verwijzen voor een uitgebreid toekomstbeeld naar het rapport. Typerend is een beweging naar meer dynamiek. De omgeving waarin mensen straks leren, werken, zorgen, samenleven en consumeren verandert in een hoog tempo. De verbanden met instituties waarin mensen werken of leren zullen daarnaast steeds losser worden. In plaats van vaststaande standaardtrajecten te doorlopen, zullen mensen ‘modules’ combineren, vaak binnen verschillende instituties en in verschillende formele en informele settings. Werk zal bijvoorbeeld steeds meer bestaan uit tijdelijke en uiteenlopende klussen met steeds nieuwe collega’s. Een andere lijn is dat one size fits all straks definitief tot het verleden behoort;  ‘maatwerk’ zal steeds meer het streven maar ook de norm worden van individuen en maatschappij. Als gevolg daarvan wordt er steeds meer eigen regie verlangd van mensen. Het ontbreken van de vaste kaders die instituties boden, dwingt mensen ook om steeds meer hun eigen koers te varen. Meer eigen regie betekent ook dat de stuurmanskunst waarover mensen beschikken steeds bepalender worden voor hoe hun levens uitpakken.

Het rapport schetst kortom een leven met meer dynamiek, meer maatwerk en meer eigen regie. Dat is tegelijkertijd ook een veel complexer leven dat eisen stelt aan individuen om zich staande te houden.

Winnaars zullen degenen zijn die mee kunnen met de nieuwe vereisten en die verandering eerder als uitdaging dan als bedreiging zien. Winnaars zijn toegerust met kwalificaties die in de toekomst (nog) belangrijker zullen zijn dan nu. Het gaat om leervermogen en intelligentie, om talent, vakmanschap, creativiteit en innovatievermogen. Het cognitieve aspect is zeker van belang, maar toch iets minder bepalend voor actieve participatie en maatschappelijk succes dan nu het geval is. Meer dan opleidingsniveau zal echter talent het onderscheidend vermogen worden. Zorgen zijn er om degenen die de slag lijken te verliezen: de ‘mindervaardigen’, de laaggetalenteerden en de niet-leerbaren; voor hen ligt de lat mogelijk te hoog. Een mogelijke scheidslijn in de toekomst ligt dan ook niet zozeer tussen de haves en de havenots, maar  tussen de cans en cannots.

Voorkomen

We hebben het hier over jongeren zonder startkwalificatie; iets wat hen en de samenleving nu opbreekt, maar straks wellicht nog meer. Jongeren hebben vaardigheden nodig om zich staande te kunnen houden in een steeds dynamischer, maar daarmee ook onzekere toekomst. Met een opleiding of een leerwerktraject wordt er een basis gelegd; jongeren kunnen zich vaardigheden eigen maken en leren hun talenten te ontplooien. Het is belangrijk dat zij betrokken burgers worden die naar vermogen participeren, en dat er geen talent verloren gaat.